De grondroerder moet het beoogde tracé waarop de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd moeten gaan worden vooraf inspecteren en moet onderzoeken of de werkzaamheden (verkeers-)technisch uitvoerbaar zijn ten aanzien van de aanwezige wegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, spoorwegen, metro- en trambanen, (waterkerende) dijken, overige kabels of leidingen, bomen, wegmeubilair, taluds en gebouwen. De grondroerder moet bij de aanvraag van het instemmingsbesluit of de vergunning de gemeente ervan overtuigen (bijvoorbeeld met een dwarsprofiel met daarin aangegeven de bestaande kabels of leidingen en het gewenste ruimtebeslag voor de aanleg van de nieuwe kabels of leidingen) dat er voldoende ruimte is voor de juiste ondergrondse ordening.
Om er zeker van te zijn dat er voldoende ruimte is in de ondergrond voor de aanleg van kabels of leidingen is het raadzaam dat de grondroerder al in de engineeringsfase inventariseert welke overige netbeheerders belangen hebben in het beoogde tracé. Als het nodig en zinvol is kunnen die overige netbeheerders dan in een vroegtijdig stadium geïnformeerd worden over de voorgenomen werkzaamheden en er kan onderzoek gedaan worden naar de aard en ligging van betreffende kabels of leidingen van de overige netbeheerders. Daartoe kan de grondroerder bijvoorbeeld een oriëntatieverzoek doen bij het Kadaster- sectie Klic of proefsleuven maken. De grondroerder en de overige netbeheerders kunnen zo nodig in overleg treden om nadere afspraken te maken over bijvoorbeeld de ongestoorde ligging van ieders kabels of leidingen.
De grondroerder moet zelf inventariseren of er, behalve het instemmingsbesluit, de vergunning of de melding, voor bepaalde uit te voeren activiteiten een (omgevings)vergunning noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor werkzaamheden in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarde (al dan niet met nadere voorschriften in het kader van de bescherming van monumentale of archeologische waarden), het kappen van bomen, het oprichten/plaatsen van bovengrondse voorzieningen, bouwketen of portakabins, materiaalcontainers, parkeren van voertuigen enzovoort. Ook moet de grondroerder alle voor het werk benodigde vergunningen, ontheffingen enzovoort die noodzakelijk zijn vanuit de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) of de Omgevingswet, of de opvolger(s) daarvan, aanvragen.
Artikel 7
Richtlijnen ten behoeve van de (tracé)engineering en ondergrondse ordening Artikel 7.1 Tracé-inspectie t.b.v. de aanleg van kabels en leidingen
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen UNOG gemeente Lochem