Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Indien zij gebruik wensen te maken van een familiegroepsplan, zorgen zij er voor dat zij tijdig het familiegroepsplan ter beschikking stellen.
1. Bij het eerste contact van de jeugdige met het college wordt zijn/hun burgerservicenummer (bsn) geverifieerd, conform artikel 7.2.3 van de Jeugdwet. Indien bsn-verificatie niet mogelijk is, stelt het college de identiteit van de aanvrager vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse identiteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:
a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
c. een buitenlands paspoort; of
d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
Het college onderzoekt in ieder geval met de jeugdige en/of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag;
het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
bij verzoek tot verlenging/herindicatie: de bereikte resultaten in het voorgaande/lopende hulptraject;
het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene of andere voorziening;
de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze;
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders.
Het college kan, zo nodig, met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, onderwijs en jeugdhulpaanbieders, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp.
Het college en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het eerste tot en met vijfde lid vast in het onderzoeksplan.
In het onderzoeksplan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het onderzoeksplan met de jeugdige en/of zijn ouders, de jeugdhulpaanbieder en het college besproken worden.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een onderzoek en bevestigt dit schriftelijk.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.
Artikel 8.
Onderzoek en opstellen onderzoeksplan
Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente ’s-Hertogenbosch 2026