Het college onderzoekt de hulpvraag samen met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger. Waar mogelijk spreekt het college ook met het sociale netwerk om te onderzoeken of gebruikelijke hulp passend is. Waar mogelijk verwijst het college de inwoner naar een voorzieningen in de sociale basis. Indien nodig spreekt het college met deskundigen om te onderzoeken of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Voor zover nodig betrekt het college de factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, bij het onderzoek.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Het college wijst cliënt op de mogelijkheid om zich te laten ondersteunen door een onafhankelijke cliëntondersteuner.
Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek noodzakelijk zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
Tijdens het gesprek wordt aan de persoon dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn. In een pgb-formulier motiveert cliënt de keuze voor een pgb en wie de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening is. Het college onderzoekt op welke wijze de kwaliteit van de zorg wordt gewaarborgd en of de voorgenomen hulpverlener beschikt over de juiste kwalificaties. Het college kan bij deze beoordeling onder andere een registratie in het Handelsregister, behaalde diploma’s, een HKZ certificaat, een ISO 9001 certificaat, SKJ registratie en of BIG registratie betrekken.
Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 5 in te dienen.
Als de cliënt en de hulpvraag genoegzaam bekend zijn, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.
Hoofdstuk 2
Artikel 3.
Onderzoek
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026