Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 14

Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026

1.. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht), eventueel met steun van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden; de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 2.. Een aanvullende verzekering is geen voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 1.2 Jeugdwet. Het college kan jeugdigen of ouders niet verplichten een aanvullende verzekering af te sluiten. Indien geen of slechts gedeeltelijke dekking bestaat, beoordeelt het college of en in hoeverre een voorziening op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is. 3.. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of de ouder(s). 4.. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in principe ook door hen geleverd kan worden. Bij uitval van een van de ouder(s) neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. 5.. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden. Dit betekent dat ouder(s) door bijvoorbeeld lichamelijke, psychische of andere vastgestelde beperkingen niet in staat zijn de benodigde hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 6.. Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: de behoefte en mogelijkheden van het gezin en de jeugdige; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; het belang en recht van (beide) ouder(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s); de manier van omgaan van ouder(s) met de problemen van de jeugdige; vaardigheden van de ouder(s) om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); of er sprake is van problematiek bij de ouder(s), zoals relationele problemen of schulden; overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouder(s) worden ingebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel