Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 9

Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026

1.. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en de ouder(s) zo spoedig mogelijk, een onderzoek uit overeenkomstig de in dit artikel 9 beschreven stappen en maakt het zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of de ouder(s) de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen. 2.. Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en ouder(s) alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(s) beschikken. 3.. Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp. 4.. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon zoals bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wmo 2015. Ook kan de jeugdige en/of ouder(s) ervoor kiezen dat een cliëntondersteuner of iemand uit het eigen netwerk aansluit bij het gesprek. 5.. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of de ouder(s) bij het college een familiegroepsplan indienen. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende 2 weken na de aanvraag in de gelegenheid het familiegroepsplan in te dienen. Als de jeugdige of de ouder(s) daarom vragen, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 6.. Het college onderzoekt in een gesprek met de ouder(s) en, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige, welke voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is. Bij dit gesprek kan, als het college dat voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk acht, een medewerker uit een ander domein of een (externe) deskundige aansluiten. Het college informeert de ouder(s) en de jeugdige vooraf over de betrokkenheid van deze medewerker of deskundige. 7.. Als uit het onderzoek blijkt dat de hulpvraag binnen de eigen mogelijkheden kan worden opgelost kan het college in overleg met de jeugdige en de ouder(s) afzien van het inzetten van jeugdhulp. Er wordt dan een beschikking afgegeven, waarin wordt vastgelegd dat geen jeugdhulp wordt ingezet. 8.. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of ouder(s) zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige en de ouder(s): wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouder (s) is en hoe de hulpvraag is ontstaan; of deze gemeente verantwoordelijk is voor de verlening van jeugdhulp; of de Jeugdwet van toepassing is of sprake is van beperkingen of problematiek bij de jeugdige of ouder(s), waaronder: psychische problemen en stoornissen; psychosociale problemen; gedragsproblemen; een verstandelijke beperking van de jeugdige; opvoedingsproblemen van de ouder(s); adoptiegerelateerde problemen; overige relevante problematiek; Voor zover een of meer problemen aanwezig zijn, zoals genoemd in lid 8d, onderzoek het college achtereenvolgens: om welke problemen of stoornissen het gaat; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met de leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) of de verzorger(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en als de jeugdige of de ouder(s) een familiegroepsplan bij het college hebben ingediend, betrekt het college dat plan bij het onderzoek; voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen niet genoeg zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een voorliggende voorziening of algemene voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; het gewenste resultaat van het verzoek om Jeugdhulp; hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s); indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en de ouder(s) medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige en de ouder(s) worden in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze; Als de jeugdige of de ouder(s) kiezen voor jeugdhulp in de vorm van een pgb, beoordeelt het college op basis van de eisen zoals opgenomen in hoofdstuk 6 van de verordening of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en of sprake is van een reden om een pgb te weigeren; de uitkomst van deze beoordeling en de gevolgen voor de wijze van verstrekking van de individuele voorziening worden in begrijpelijke bewoordingen opgenomen in het onderzoeksverslag en medegedeeld aan de jeugdige en de ouder(s). 9.. In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning als gevolg van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, dan wordt de jeugdhulp voor de jeugdige afgestemd op de hulp die ouders nodig hebben. De veiligheid van de jeugdige is altijd een overweging in de afstemming. 10.. Het college hanteert de geldende professionele richtlijnen, kwaliteitsstandaarden en vakinhoudelijke kaders binnen het jeugddomein en aanpalende domeinen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel