**1..** Bijstand ter voorziening in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan wordt verleend, indien de individuele omstandigheden van de persoon of het gezin leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan die door de belanghebbende niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de individuele inkomenstoeslag of het daarmee wat betreft hoogte vergelijkbare inkomen.
**2..** Bij de vaststelling van het inkomen om het recht op bijzondere bijstand te beoordelen wordt de in aanmerking te nemen vakantietoeslag berekend op basis van de artikelen 11, 12, 13 en 14 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.
**3..** Bijstand ter voorziening in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in de wet, de daarop gebaseerde regelingen en deze beleidsregels.
**4..** Bijstand ter voorziening in de (individuele) bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan wordt niet verleend aan belanghebbenden van wie het inkomen hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm tenzij in deze beleidsregels anders aangegeven.
**5..** Bijzondere bijstand die betrekking heeft op periodieke kosten wordt voor een periode van maximaal twaalf maanden achtereen toegekend.
**6..** Indien de omstandigheden en mogelijkheden van de persoon of zijn gezin daartoe aanleiding geven kan de bijzondere bijstand verleend worden in afwijking van één of meer bepalingen van deze beleidsregels.
**7..** Bijzondere bijstand wordt toegekend op de datum van aanvraag met een terugwerkende kracht tot maximaal 30 dagen, tenzij dit anders in de beleidsregels is aangegeven.
**8..** Bij het vaststellen van het inkomen om het recht op bijzondere bijstand en minimaregelingen te beoordelen, is een marginale afwijking van toepassing, zodat incidentele, geringe overschrijdingen van de inkomensnorm niet in de weg staan van het recht op de bijstand of regeling.
**9..** Bij het vaststellen van het inkomen om het recht op bijzondere bijstand en minimaregelingen te beoordelen, wordt niet meegerekend:
Het deel van het inkomen waarover de belanghebbende als gevolg van executoriaal beslag, met inachtneming van de beslagvrije voet, niet feitelijk kan beschikken;
Het deel van het inkomen boven het vastgestelde leefgeld dat de inwoner moet afdragen in een minnelijk of wettelijk schuldhulpverleningstraject (MSNP of WSNP).