Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk IV › Paragraaf 2

Artikel 17

Verbodsbepalingen

Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Neder-Betuwe 2010

1. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 15 lid 1 en 3 de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld te verstoren. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of AWV als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt op het terrein aangemerkt als: • AWV categorie 3 (gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting, waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 50 m2, of; • AWV categorie 4 (gebieden met een hoge archeologische verwachting en een meer dan 50 cm dik conserverend dek), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m2 (vanwege het conserverende dek is verstoring tot 40 cm minus maaiveld toegestaan), of; • AWV categorie 5 (gebieden met een hoge archeologische verwachting en een minder dan 50 cm dik conserverend dek), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m2, of; • AWV categorie 6 (gebieden met een middelmatige archeologische verwachting), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100m2, of; • AWV categorie 7 (gebieden met een lage archeologische verwachting, waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 2500 m2; b. In het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; c. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologisch monumentenzorg; d. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden, zoals middels het aanlegvergunningstelsel in bestemmingsplannen, die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste lid; e. een rapport is overlegd, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: • het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of • de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of • in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 3. Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in het eerste lid, indien de belangen waarvoor het terrein als gemeentelijk archeologisch meldingsgebied is aangewezen voldoende zijn beschermd door: a. de mogelijkheid van toegang van door burgemeester en wethouders aan te wijzen personen op het terrein en; b. de mogelijkheid van de onder a. genoemde personen om voorafgaand inventariserend archeologisch onderzoek te (doen) verrichten. 4. Bij fruitteeltbedrijven en laanboomkwekerijen zijn dagelijkse bedrijfswerkzaamheden, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen van archeologisch onderzoek vrijgesteld. Voor verstoorde gebieden in combinatie met gebieden met een lage archeologische verwachting, is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel