1. Op de op grond van artikel 3, eerste lid, aangewezen plaatsen mag een woonschip ligplaats innemen en hebben, mits de eigenaar van het woonschip beschikt over een vergunning van het college.
2. Het college beslist over een aanvraag van een ligplaatsvergunning binnen twaalf weken na de dag, waarop de aanvraag is ontvangen.
3. Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
4. Een ligplaatsvergunning wordt geweigerd indien:
a. voor de ligplaats al vergunning is verleend;
b. het een vaartuig betreft dat - naar het oordeel van het college — naar zijn constructie of inrichting niet uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot een als hoofdverblijf geldend dag- of nachtverblijf van een of meer personen;
c. het aannemelijk is dat het woonschip zal worden gebruikt voor een ander doel dan alshoofdverblijf van een of meer personen;
d. het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;
e. het woonschip niet in overeenstemming is met de door het college gestelde regels of te stellen regels op het gebied van maatvoering, bijbehorende voorzieningen, redelijke eisen van welstand;
f. het woonschip belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land of voor het beheer van de oever;
g. het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid;
h. het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 26 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen.
5. De ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt in ieder geval de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.