In overeenstemming met deze verordening wordt de bijstand
verlaagd indien de belanghebbende:
blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan;
of daarna onvoldoende heeft meegewerkt aan het
verkrijgen of behouden van arbeid in
dienstbetrekking;
of in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag,
de inlichtingen- en medewerkingverplichting als bedoeld
in de wet niet of onvoldoende is nagekomen;
of zich tegenover het college zeer ernstig heeft
misdragen.
Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
belanghebbende en kan daarom afwijken van de in deze verordening
genormeerde verlagingen.