Van behoorlijk onderhouden, als bedoeld in het vorige artikel, is sprake wanneer de sloten:
a. worden gehouden op de breedten en diepten waarop zij zijn aangelegd; de in artikel 3 genoemde afmetingen
zijn slechts minimum eisen waaraan de smalste en ondiepste sloten nog moeten voldoen; .
b. van gewassen en vuil zijn verwijderd en deze gewassen en dit vuil behoorlijk op de walkant van de onderhoudsplichtige zijn gelegd en binnen een termijn van 8 dagen na het gereedkomen der onderhoudswerken deze gewassen en dit vuil over zijn gronden worden verstrooid of weggevoerd.