Alle brughoofden moeten door de eigenaren of gebruikers aan de waterkanten geheel beschoeid of gemetseld zijn, zodat geen aardspecie in de sloot kan vallen, waarbij:
a. de afstand tussen twee tegenover elkaar gelegen brughoofden, gemeten op het schouwpeil, niet minder mag bedragen dan 2,20 meter;
b. de onderkanten van de liggers of balken van de op brughoofden rustende bruggen tenminste 0,50 meter boven het schouwpeil van de sloot moeten zijn gelegen;
c. het hoogste punt van de onderkant van een in boogvorm gemetselde brug tenminste 1 meter boven het schouwpeil van de sloot moet zijn gelegen.