a. Een kinderdagverblijf beschikt over één of meer op het aantal groepen afgestemde afzonderlijke slaapruimten.
b. De slaapruimten zijn zodanig ingericht dat tijdens de rustperiode elk kind goed bereikbaar en zichtbaar is. De afstand tussen de bedden bedraagt minimaal 50 centimeter.
c. De slaapruimten zijn voorzien van voldoende aan de kinderen aangepaste, veilige bedden en kinderledikanten. Deze zijn goed en eenvoudig reinigbaar en zodanig uitgevoerd, dat de kinderen steeds goed zichtbaar zijn.
d. In de slaapruimten kan licht en geluid worden gedempt.
e. In de slaapruimten is voldoende beddengoed aanwezig. Elk kind heeft zo veel mogelijk zijn eigen bed. In ieder geval dient ieder kind over eigen beddengoed te beschikken.