De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk kan
geweigerd worden indien
a de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van
een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale
gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding
bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
b de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op
dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren
schriftelijk toestemming is verleend door het college;
c deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra
trapleuningen;
d de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van
leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen sprake is van een
onverwacht intredende noodzaak;
e de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor
zo ver de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft;
f de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;
g de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg;
h in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het normale
gebruik van de woning;
i de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
j de woonruimte in aanmerking kan komen voor renovatie, waarbij de
stijging van de maandelijkse huurprijs, voor de aanvrager, niet hoger is
dan de maximale maandelijkse eigen bijdrage die zou zijn verschuldigd
als de aanvraag was toegekend;
k voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een
hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.
Deel 4
Artikel 21
Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010