Naar hoofdinhoud

Paragraaf 6

Artikel 6.4

Toegelaten schepen in petroleumhavens

Onderdeel van Havenverordening Vlaardingen 2004

1. Het is verboden zich met een schip in een petroleumhaven te bevinden, tenzij: a. het schip van de havenwerken gebruik maakt, heeft gemaakt of zal maken om te lossen, te laden, ladingstanks schoon te maken, of te bunkeren; b. het betreft een roei- of motorboot die niet door een benzinemotor wordt voortbewogen en die tot de uitrusting van een schip als bedoeld in onderdeel a behoort, en daarvan geen ander gebruik wordt gemaakt dan voor het vervoeren van opvarenden naar en van boord; c. de aanwezigheid van dat schip in de haven in verband met de aankomst, het verblijf of het vertrek van een schip als bedoeld in onderdeel a, uit een oogpunt van de uitoefening van het scheepvaartbedrijf noodzakelijk is; d. het schip in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam of van de havenbeheerder en de aanwezigheid van dat schip in dat kader is vereist; e. het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar of van havenwerken in een aangrenzend en buiten de petroleumhaven liggend gedeelte van de haven en uit de nabijheid blijft van in de petroleumhaven aanwezige schepen; f. het een schip betreft dat bepaalde dienstverlenende werkzaamheden verricht, voor zover wordt voldaan aan de door het college te stellen voorschriften inzake de bouw, inrichting en uitrusting van het schip. 2. Het is verboden een schip in een petroleumhaven te laden of te lossen op een ligplaats die niet is ingericht voor het laden of lossen van de betrokken lading. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde verboden gelden niet indien wordt gehandeld met een door het college verleende vergunning of ontheffing.

Rechtspraak bij dit artikel