Naar hoofdinhoud

Paragraaf 4

Artikel 6

Artikel 6

Onderdeel van Monumentenverordening 2005

1. Bij de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5 worden de door burgemeester en wethouders verlangde gegevens overgelegd door middel van het door hen vastgestelde formulier. 2. Indien niet wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen twee weken de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. 3. Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, leggen burgemeester en wethouders de aanvraag in het gemeentehuis bij de sector Producten voor een ieder ter inzage. Indien in de aanvraag gegevens voorkomen of uit de aanvraag kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op de bescherming van bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluiten burgemeester en wethouders op een daartoe strekkend verzoek van de aanvrager dat die gegevens niet ter inzage worden gelegd. De burgemeester doet kennisgeving van de terinzagelegging op de gebruikelijke wijze en vermeldt daarbij de mogelijkheid om binnen een termijn van twee weken zienswijzen naar voren te brengen bij burgemeester en wethouders. 4. Burgemeester en wethouders brengen de aanvraag en de naar voren gebrachte zienswijzen, als bedoeld in het derde lid, terstond ter kennis van de monumentencommissie. 5. Binnen drie maanden na afloop van de termijn waarbinnen een ieder zijn zienswijze naar voren kan brengen, brengt de monumentencommissie haar advies uit aan burgemeester en wethouders. 6. Burgemeester en wethouders geven binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, doch in ieder geval binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, een beschikking op de aanvraag om vergunning. 7. Burgemeester en wethouders kunnen, indien daartoe naar hun oordeel gegronde redenen bestaan, de in het zesde lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennis geven binnen de in het zesde lid bedoelde termijn. 8. Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van hun beschikking aan de monumentencommissie en aan degenen die hun zienswijzen naar voren hebben gebracht. 9. Van de verleende vergunning mag geen gebruik worden gemaakt voor het moment dat: a. de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken; b. indien daartoe een verzoek is gedaan, beslist is op een verzoek om voorlopige voorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel