De achtergronden van het welstandsbeleid worden in dit eerste hoofdstuk
geschetst. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid is beschreven in hoofdstuk 2
en dient samen met een analyse van de ruimtelijke kwaliteit van de
gemeente als uitgangspunt van deze nota. In de hoofdstukken 3 tot en met
6 zijn de criteria beschreven, die ten grondslag liggen aan de
welstandsbeoordeling. Hierbij zijn vier categorieën onderscheiden;
algemene welstandscriteria (hoofdstuk 3), gebiedsgerichte
welstandscriteria (hoofdstuk 4), de objectgerichte welstandscriteria
(hoofdstuk 5) en criteria voor kleine plannen (hoofdstuk 6). Hoofdstuk 7
geeft een procedure aan over hoe te komen tot welstandscriteria
voorafgaand aan toetsing van grote bouwplannen op
(her-)ontwikkelingslocaties, in geval van het ontstaan van nieuwe
gebieden. Het laatste hoofdstuk (hoofdstuk 8) geeft criteria die kunnen
worden gebruikt voortoetsing achteraf aan redelijke eisen van welstand
(bij excessen). In praktijk zal de welstandsnota niet als leesboek
worden gebruikt. De gemiddelde burger met bouwplannen hoeft niet de hele
nota te lezen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van
toepassing zijn, zal eerst kijken of het beoogde bouwwerk valt onder de
veel voorkomende kleine plannen als dakkapellen en uitbouwen waarvoor
met criteria voor kleine plannen kan worden volstaan. Is dit niet het
geval, dan gelden de gebiedsgerichte criteria of de criteria voor
specifieke bouwwerken. Deze zijn minder vast omlijnd dan die voor veel
voorkomende kleine plannen, omdat het meer relatieve criteria zijn. Ze
laten meer ruimte over voor interpretatie. De welstandsnota is bedoeld
als stimulans om een betere kwaliteit te bereiken. Om deze reden is een
ruimtelijke analyse uitgevoerd, waarop de welstandsbeleidskaarten zijn
gebaseerd. Het kan voorkomen, dat de gebiedsgerichte en objectgerichte
welstandscriteria ontoereikend zijn voor de beoordeling, maar het
project wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Voor het geven van
een advies over dergelijke gevallen zijn algemene criteria opgenomen,
die ingaan op de bijzondere kwaliteiten van een plan. In praktijk zal
gelden, dat aan een plan hogere eisen worden gesteld naarmate het zich
meer van zijn omgeving onderscheidt.