Er zijn objectgerichte welstandscriteria opgesteld voor bouwwerken die
zo
specifiek zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze worden geplaatst,
een eigen serie welstandscriteria vergen. Dit betreft
langhuisboerderijen en hooibergen. De opzet van deze objectgerichte
beoordelingskaders is vergelijkbaar met de hierna beschreven
gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat het steeds om
'relatieve' welstandscriteria. De bouwplannen worden altijd aan de
welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling de criteria
interpreteert in het licht van het concrete bouwplan.
Gebiedsgerichte beoordelingscriteria
Voor bouwplannen die niet met de criteria voor kleine plannen kunnen
worden beoordeeld is bij het opstellen van welstandscriteria een
gebiedsgerichte aanpak gevolgd. In Blaricum zijn zeven gebieden
onderscheiden die elk een eigen set aan welstandscriteria hebben
gekregen op basis van een beschrijving van de samenhang in en het
karakter van een bepaald gebied of object. Het zijn criteria waar men op
moet letten als men wil bouwen of verbouwen in een bepaald gebied. Met
deze gebiedsgerichte welstandscriteria wordt ook aangegeven in welke
gebieden bijzondere kwaliteiten aanwezig zijn en extra inspanningen
worden verwacht. De gebiedsgerichte welstandscriteria zijn geen
absolute maar relatieve criteria, die ruimte laten voor een beoordeling
in het licht van het concrete bouwplan.Die interpretatie kan in een
vroeg stadium al onderwerp van gesprek zijn met de
welstandscommissie.
Algemene beoordelingscriteria
In een enkel geval zal het voorkomen dat de gebiedsgerichte en
objectgerichte welstandscriteria ontoereikend of te beperkend zijn. Het
kan gebeuren dat een plan wél voldoet aan redelijke eisen van welstand
maar niet aan de gebiedsgerichte of objectgerichte criteria. Daarom zijn
in de nota ook algemene criteria opgenomen, waarmee een bouwplan geheel
op zichzelf, op de eigen architectonische kwaliteiten kan worden
beoordeeld. Deze criteria kunnen niet te pas en te onpas worden
gebruikt. Het moet gaan om uitzonderlijke bouwwerken die op zichzelf een
positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Ze zijn voor
onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken. Als stelregel
geldt daarbij dat er hogere eisen worden gesteld aan de
zeggingskracht
en de architectuur, naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn
omgeving onderscheidt.
Afwijken van het welstandsadvies?
Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies
van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende
uitzonderingsmogelijkheden:
• Afwijken op inhoudelijke grond: Burgemeester en wethouders
kunnen
op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie
indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van
toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de
commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast.
Indien burgemeester en wethouders bij een reguliere
bouwvergunningsaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel
komen dan de welstandscommissie, dan kunnen zij, voordat het besluit op
de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen de daarvoor geldige
afhandelingstermijn, een nader advies vragen. Het advies van deze
commissie gaat boven het advies van de reguliere welstandscommissie en
speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en
wethouders. Indien burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond
afwijken van het advies van de welstandscommissie dan wel de 'second
opinion' wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning
gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte
gesteld.
• Afwijken om andere redenen: Burgemeester en wethouders krijgen
volgens artikel 44 lid 1d Ww de mogelijkheid om bij strijd van een
bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de bouwvergunning
te
verlenen indien zij van oordeel zijn dat daar voor andere redenen
zijn,
bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking
wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd.
De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. In Blaricum
zullen burgemeester en wethouders uiterst terughoudend zijn met het
gebruik van deze mogelijkheid omdat de
ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan
economische of maatschappelijke belangen.