Beschrijving
De Langhuisboerderijen in Blaricum staan voornamelijk in de kern van
het dorp en de gebieden met verspreide bebouwing eromheen. De
boerderijen zijn afwisselend en georiënteerd op de weg, hoewel de
voorgevel niet altijd evenwijdig aan de weg staat. Ze hebben een
traditionele en eenvoudige opbouw van één laag met kap. De
architectonische uitwerking is doelmatig, zeer zorgvuldig en gevarieerd.
Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. Vrijwel alle boerderijen
in Blaricum zijn van het type langhuisboerderij en, waarbij er deuren in
de zijgevels zijn gelegen. De onderste daklijn is meestal ter plaatse
van deze deuren (zijbaander) verhoogd. In vele gevallen is de noklijn
van de stallen lager dan de van het woongedeelte. Het woongedeelte heeft
ook een rijkere architectonische uitwerking. De daken zijn gedekt met
gebakken pannen of natuurriet. De vensters zijn klein en onderverdeeld
met roeden. Op de erven komen bijgebouwen als schuren en hooibergen
voor. Hulst- en meidoornhagen dienen ook nu nog veelal als
erfafscheiding. De grote en nieuwere langhuisboerderijen uit de late 19e
en begin 20e eeuw zijn strakker vormgegeven dan de oudere boerderijen:
rechthoekige langhuisboerderijen met doorgaande zadeldaken, gedekt met
pannen.
Waardebepaling, ontwikkeling en beleid
Behoud van de uiterlijke vorm is het kernwoord voor het welstandsbeleid
voor de Langhuisboerderijen van Blaricum. Daarnaast is de maat, schaal
en vorm van de gevelinvullingen van belang. De terughoudende maar
tegelijkertijd zorgvuldige architectuur van deze historische bebouwing
is een belangrijke kwaliteit in het dorpsbeeld. Aanpassingen en
nieuwbouw dienen op een vergelijkbaar niveau te worden uitgevoerd.
Welstandsniveau
Voor de cultuurhistorisch waardevolle langhuisboerderijen in Blaricum
is het welstandsbeleid gericht op het verbeteren en in stand houden van
de karakteristieken van deze objecten.
Ligging
• het dorpse karakter van het gebied behouden, daarbij is een
heldere
ordening van verschillende gebouwen en traditionele erfbeplanting
op
het erf belangrijk;
• per kavel is er één hoofdmassa;
• de gebouwen volgen in ligging grofweg de hoofdstructuur.
Massa
• panden zijn individueel en afwisselend;
• gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm waarbij het woongedeelte
veelal hoger is dan het achterhuis (stalgedeelte);
• gebouwen hebben een opbouw bestaande uit een onderbouw van één
en laag met een zadeldak;
• zijgevels hebben kleine vensters en eventueel staldeuren;
• op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als
toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa;
• bij aanpassingen aan gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw
duidelijk herkenbaar blijven.
Architectonische uitwerking
• de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd;
• het verschil tussen voorhuis en achterhuis (stalgedeelte) van het
hoofdgebouw in architectonische uitwerking benadrukken;
• fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als
kozijnen,
dakgoten, daklijsten, windveren, raamhout en roedeverdeling;
• traditioneel Hollandse houten kozijnen en raamhout en
profileringen
vormen het uitgangspunt;
• bijgebouwen als schuren zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig
gedetailleerd als de hoofdmassa;
• wijzigingen en toevoegingen zijn in maat schaal en stijl zorgvuldig
afgestemd op het hoofdvolume.
Materiaal- en kleurgebruik
• het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel;
• gevels zijn in hoofdzaak van baksteen eventueel gecombineerd met
pleisterwerk of houten delen;
• daken zijn afgedekt met gebakken pannen of met natuurriet;
• Het houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als
bijvoorbeeld
groen voor deuren en luiken, licht oker voor kozijnen en wit en
groen
voor de ramen.