Naar hoofdinhoud

Deel 5

Artikel 5.1

Langhuisboerderijen

Onderdeel van Nota Welstand Blaricum

Beschrijving De Langhuisboerderijen in Blaricum staan voornamelijk in de kern van het dorp en de gebieden met verspreide bebouwing eromheen. De boerderijen zijn afwisselend en georiënteerd op de weg, hoewel de voorgevel niet altijd evenwijdig aan de weg staat. Ze hebben een traditionele en eenvoudige opbouw van één laag met kap. De architectonische uitwerking is doelmatig, zeer zorgvuldig en gevarieerd. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. Vrijwel alle boerderijen in Blaricum zijn van het type langhuisboerderij en, waarbij er deuren in de zijgevels zijn gelegen. De onderste daklijn is meestal ter plaatse van deze deuren (zijbaander) verhoogd. In vele gevallen is de noklijn van de stallen lager dan de van het woongedeelte. Het woongedeelte heeft ook een rijkere architectonische uitwerking. De daken zijn gedekt met gebakken pannen of natuurriet. De vensters zijn klein en onderverdeeld met roeden. Op de erven komen bijgebouwen als schuren en hooibergen voor. Hulst- en meidoornhagen dienen ook nu nog veelal als erfafscheiding. De grote en nieuwere langhuisboerderijen uit de late 19e en begin 20e eeuw zijn strakker vormgegeven dan de oudere boerderijen: rechthoekige langhuisboerderijen met doorgaande zadeldaken, gedekt met pannen. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Behoud van de uiterlijke vorm is het kernwoord voor het welstandsbeleid voor de Langhuisboerderijen van Blaricum. Daarnaast is de maat, schaal en vorm van de gevelinvullingen van belang. De terughoudende maar tegelijkertijd zorgvuldige architectuur van deze historische bebouwing is een belangrijke kwaliteit in het dorpsbeeld. Aanpassingen en nieuwbouw dienen op een vergelijkbaar niveau te worden uitgevoerd. Welstandsniveau Voor de cultuurhistorisch waardevolle langhuisboerderijen in Blaricum is het welstandsbeleid gericht op het verbeteren en in stand houden van de karakteristieken van deze objecten. Ligging • het dorpse karakter van het gebied behouden, daarbij is een heldere ordening van verschillende gebouwen en traditionele erfbeplanting op het erf belangrijk; • per kavel is er één hoofdmassa; • de gebouwen volgen in ligging grofweg de hoofdstructuur. Massa • panden zijn individueel en afwisselend; • gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm waarbij het woongedeelte veelal hoger is dan het achterhuis (stalgedeelte); • gebouwen hebben een opbouw bestaande uit een onderbouw van één en laag met een zadeldak; • zijgevels hebben kleine vensters en eventueel staldeuren; • op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa; • bij aanpassingen aan gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar blijven. Architectonische uitwerking • de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd; • het verschil tussen voorhuis en achterhuis (stalgedeelte) van het hoofdgebouw in architectonische uitwerking benadrukken; • fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als kozijnen, dakgoten, daklijsten, windveren, raamhout en roedeverdeling; • traditioneel Hollandse houten kozijnen en raamhout en profileringen vormen het uitgangspunt; • bijgebouwen als schuren zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa; • wijzigingen en toevoegingen zijn in maat schaal en stijl zorgvuldig afgestemd op het hoofdvolume. Materiaal- en kleurgebruik • het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel; • gevels zijn in hoofdzaak van baksteen eventueel gecombineerd met pleisterwerk of houten delen; • daken zijn afgedekt met gebakken pannen of met natuurriet; • Het houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als bijvoorbeeld groen voor deuren en luiken, licht oker voor kozijnen en wit en groen voor de ramen.

Rechtspraak bij dit artikel