Mobiel bellen is niet meer weg te denken uit onze samenleving. Het
plaatsen van zend- en ontvangstinstallaties en het meewerken aan een
landelijk dekkend netwerk van installaties is daarmee noodzakelijk. Maar
de antenneinstallaties zijn van ver zichtbaar en van invloed op de
ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Blaricum vindt het van belang hier
terughoudend mee om te blijven gaan en dat de antenne-installaties op
een stedenbouwkundig en maatschappelijk verantwoorde wijze worden
ingepast. Daartoe zijn in de Beleidsnota antenne-installaties, Blaricum
(2008) richtlijnen opgesteld voor de toelaatbaarheid van de
installaties. Zo is plaatsing van antennemasten niet toegestaan in
beeldbepalende gebieden, landschappelijk waardevolle gebieden, het
Beschermd dorpsgezicht, beschermende natuurgebieden en
milieubeschermingsgebieden. Verder is in de betreffende beleidsnota
bepaald dat bij voorkeur sprake dient te zijn van een solitaire mast
(maximaal 40 m hoog) en dat de plaatsing van antennemasten in beginsel
is toegestaan op nietwoongebouwen van 15 m of hoger, waarbij de
masthoogte maximaal 7 m mag bedragen. Tevens dienen de bijbehorende
schakelkasten uit het zicht te worden geplaatst.
Universal Mobile Telecommunications System (UMTS) is de beoogde
opvolger van het gsm-netwerk. Het digitale UMTS-netwerk heeft meer
capaciteit en kan grote hoeveelheden data, in kleine digitale pakketjes,
snel versturen. Een antenne-installatie is het geheel van antennes,
antennedrager, bedrading en techniekkasten. Een antenne-installatie kan
uit meerdere antennes bestaan. Er is dus een onderscheid tussen een
antenne en een antenne-installatie. Voor gsm en UMTS bestaat een
antenne-installatie over het algemeen uit drie antennes en de
bijbehorende apparatuur. Het grootste deel van deze UMTS-antennes zal
worden geplaatst op of bij de geplaatste gsm antenne-installaties.
Hierdoor zal de toename van het aantal antenne-installaties beperkt
blijven.
Bouwvergunning en welstandstoetsing
De toepassing van welstandstoetsing is gekoppeld aan de
bouwvergunningsplicht. Dit hangt af van de hoogte van de installatie en
het vermogen van de antenne. Voor het plaatsen van masten voor
antenne-installaties die minder dan 5 m hoog zijn, is onder bepaalde
voorwaarden geen bouwvergunning nodig. Als een antenne van minder dan 5
m op een monument wordt geplaatst of in het Beschermd Dorpsgezicht,
gelden dezelfde regels als voor het plaatsen van antennes van 5 tot 40
meter. Ook moet dan een monumentenvergunning worden aangevraagd.
Antennes van 5 tot 40 m
Voor het plaatsen van antennes van 5 tot 40 m hoog geldt een lichte
bouwvergunning. Dit betekent dat de gemeente binnen zes weken moet
beslissen of de vergunning wel of niet wordt verleend. De criteria voor
een lichte bouwvergunning zijn iets minder uitgebreid dan voor een
reguliere bouwvergunning.
Antennes hoger dan 40 m
Voor alle masten voor antenne-installaties die hoger zijn dan 40 m is
een reguliere bouwvergunning nodig. De enige uitzondering hierop zijn de
antennes voor het communicatiesysteem voor politie, brandweer en
ambulances (C2000). Deze installaties zijn bouwvergunningvrij.
De antennes waarvoor geen bouwvergunning nodig is, wordt niet
preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand. In
uitzonderingsgevallen, wanneer een bouwwerk in ernstige mate in strijd
is met redelijke eisen van welstand kan de gemeente achteraf met behulp
van de Excessenregeling ingrijpen. De eigenaar wordt dan verzocht het
uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het
bouwvergunningsvrij is.
Criteria voor een UMTS-mast
Een UMTS-mast voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand
als aan onderstaande criteria wordt voldaan:
Architectonische uitwerking
• kleur van mast in gedekte kleuren, geen opvallend kleurgebruik;
• bij plaatsing op gebouwen wordt de antennemast door camouflage aan
het zicht onttrokken;
• bijbehorende schakelkasten worden uit het zicht geplaatst.
Aanvullende criteria
• deze voldoet aan de eventuele aanvullende criteria in het
gebiedsgerichte beoordelingskader;
• UMTS-masten worden te allen tijde aan de welstandscommissie
voorgelegd;
op basis van de gebiedscriteria kunnen nadere eisen worden gesteld.