1. De maatregel behorend bij de in artikel 9 vermelde categorieën wordt vastgesteld op:
a. tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 9;
b. vijftien procent van het benadelingsbedrag, met een minimum van € 100,- en een maximumbedrag van € 1000,- indien sprake is van een ten onrechte of een te hoog verleend bedrag aan bijstand of uitkering bij een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9;
2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde (of een hogere) categorie.
3. Indien de maatregel bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de beëindiging van het recht op bijstand of uitkering niet kan worden opgelegd, wordt de maatregel alsnog opgelegd wanneer binnen één jaar na beëindiging van de bijstand of uitkering een nieuw recht op WWB of IOAW/IOAZ ontstaat.
Hoofdstuk 3
Artikel 10
De hoogte en de duur van de maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010