1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b. ten behoeve van een woonwagen in aanmerking komen wanneer:
a. de technische levensduur van de woonwagen, ten tijde van indiening van de aanvraag, nog minimaal 5 jaar is;
b. de standplaats, ten tijde van indiening van de aanvraag, niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmer¬king komt;
c. de woonwagen, ten tijde van indiening van de aanvraag, bij de gemeente op de standplaats stond; en
d. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.
2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b. ten behoeve van een woonschip in aanmerking komen wanneer:
a. de technische levensduur van het woonschip, ten tijde van indiening van de aanvraag, nog minimaal vijf jaar is;
b. het woonschip, ten tijde van indiening van de aanvraag, nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen.
3. Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip, ten tijde van indiening van de aanvraag, minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, wordt er slechts een voorziening verleend tot een door het college in de Beleidsregels gemeente Maasgouw vast te leggen maximumbedrag.
4. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b. ten behoeve van een binnenschip in aanmerking komen wanneer de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbe¬sluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat:
a. in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek gesteld is op de wijze omschreven in de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 en;
b. bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het me¬tingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde.
Hoofdstuk 4
Artikel 20
Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en binnenschepen
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Maasgouw 2010.