1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 21, onder a., onmogelijk maken dan wel
b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., niet aanwezig is.
2. Voor de bij artikel 25 lid 1 ad b onder 3 en 4 en artikel 25 lid 1 ad d onder 2 t/m 5 genoemde voorzieningen geldt dat zij ook aanvullend op het collectief vervoer van artikel 22 onder a verstrekt kunnen worden.
3. Bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 25 lid 1 ad d onder 2 t/m 5 wordt rekening gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de gehandicapte en de mate waarin een voorziening als bedoeld in artikel 22 onder b en c in die vervoersbehoefte kan voorzien. Voor zover de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt niet meer dan anderhalf maal een enkele vergoeding toegekend.
Hoofdstuk 5
Artikel 24
Primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Maasgouw 2010.