1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:
a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel alsmede de beperkingen bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen, tenzij voor een korte periode hulp bij het huishouden noodzakelijk is;
b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;
c. deze in overwegende mate op het individu is gericht. 2. Een voorziening wordt niet toegekend:
a. indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;
b. indien de aanvrager niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Maasgouw;
c. voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;
d. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de datum van het besluit heeft gemaakt, tenzij vooraf schriftelijk toestemming is verleend, of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf kan worden vastgesteld;
e. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, danwel krachtens de aan deze verordening voorafgaande verordening Wet voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;
f. indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege redelijkerwijs te vergen medewerking van de aanvrager, zijn mantelzorger of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden of huisgenoten aan het oplossen van het zich voordoende probleem;
g. indien de aanvraag voor een voorziening het gevolg is van niet dan wel onvoldoende nemen van de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren;
h. voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
Beperkingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Maasgouw 2010