1. De in artikel 22 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:
Ad b: een vervoersvoorziening in natura in de vorm van:
1 een al dan niet aangepaste bruikleenauto;
2 een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;
3 een scootmobiel;
4 een ander verplaatsingsmiddel.
Ad c: een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele vervoersvoorziening.
Ad d: een financiële tegemoetkoming in de vorm van:
1 aanpassing van een eigen auto;
2 gebruik van een bruikleenauto;
3 gebruik van een taxi of auto;
4 gebruik van een rolstoeltaxi;
5 medisch noodzakelijke begeleiding.
2. Indien het netto inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijke netto inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan de inkomensgrens, te weten 1,5 maal het norminkomen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. Er bestaat dan geen recht op een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming bestemd voor de kosten van vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 25 lid 1 ad b. onder 1 en 2 en artikel 25 ad d. onder 2 t/m 5.
Hoofdstuk 5
Artikel 25
Soorten individuele vervoersvoorzieningen en algemeen gebruikelijk
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Maasgouw 2010