1. Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien
a. niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening;
b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;
c. de belanghebbende niet danwel onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft genomen ten aanzien van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren;
d. indien blijkt dat gedurende een periode van meer dan zes maanden geen gebruik is gemaakt van de verstrekte voorziening.
2. Onverminderd de gronden voor intrekking genoemd in het eerste lid, wordt het besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop de budgethouder schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het budget.
3. Bij overlijden van de budgethouder eindigt het persoonsgebonden budget uiterlijk tot twee weken gelegen na de dag waarop de budgethouder overlijdt.
4. Bij overlijden van de rechthebbende eindigt de periodieke financiële tegemoetkoming op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de rechthebbende is overleden.
5. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 7
Artikel 35
Intrekking en beëindiging besluit verstrekking voorziening
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Maasgouw 2010