**1.** Bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in de Woningwet wordt acht geslagen op de volgende aspecten:
a. de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context;
b. massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling;
c. samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen daarvan.
**2.** Voor zover het betreft aangelegenheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, beoordeelt de commissie het aan haar voorgelegde plan mede en het voornemen uitsluitend aan de hand van de vraag in hoeverre het belang van instandhouding van het culturele erfgoed zich verzet dan wel gebaat is bij uitvoering. De commissie laat zich bij deze aangelegenheden uitsluitend leiden door overwegingen van geschiedkundig, volkskundig of wetenschappelijk belang dan wel door overwegingen verband houdende met de uiterlijke verschijningsvorm.
**3.** Indien de gemeenteraad een beleid voor de visuele kwaliteit van de gebouwde omgeving heeft geformuleerd en openbaar gemaakt in planologische maatregelen, beleidsnota’s, deelnotities dan wel de daarbij behorende ontwerpen wordt, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, het bouwwerk aan dit beleid getoetst. De commissie treedt niet in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van vastgestelde beleids- en ontwerpuitgangspunten voor de visuele kwaliteit voor de omgeving, tenzij hierom door burgemeester en wethouders uitdrukkelijk wordt verzocht.
**4.** Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid, kan de commissie ten behoeve van de toetsing van schets- en bouwplannen nadere welstandscriteria formuleren. Toetsing aan deze criteria geschiedt slechts na voorafgaande goedkeuring hiervan door burgemeester en wethouders.
Artikel 7
Criteria voor toetsing
Onderdeel van Verordening op de commissie voor monumenten en welstand