Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 14

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ 2010

1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2. Met inachtneming van artikel 20, vierde lid van de IOAW en IOAZ, legt het college een maatregel op van 100% voor de duur van een maand indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligtin de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel b. de dienstbetrekkingis beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 3. Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; b. bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; c. bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; d. bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel