Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Periodieke verhogingen

Onderdeel van Bezoldigingsverordening gemeente Son en Breugel 1998

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt de ambte­naar die in de loop van het kalenderjaar een hogere leeftijd bereikt, geacht op 1 januari van dat jaar die leeftijd te hebben bereikt. 2. De ambtenaar, die is bevorderd of benoemd vanaf of na 1 juli van het kalenderjaar, ontvangt per 1 januari daarop volgend geen periodieke verhoging. Deze situatie is niet van toepassing als bij de benoeming andere afspraken zijn gemaakt 3. De ambtenaar, die in de loop van het kalenderjaar de hoedanigheid van volwassene verkrijgt, ontvangt vanaf 1 januari van dat jaar in ieder geval het minimumbedrag van de salarisschaal waarin hij is geplaatst; 4. Het salaris van de ambtenaar wordt bij voldoende bekwaam­heid, geschiktheid en ijver binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. 5. Het salaris wordt, indien de salarisschaal in de oude structuur dit aangeeft en wanneer het maximumsalaris is bereikt, voor de eerste maal na drie jaar en vervolgens om de twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de betreffende salaris­schaal. 6. De tijd gedurende welke de ambtenaar ingevolge wettelijke verplichting, als bedoeld in artikel 3:7:1 van de CAR/UWO, wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn, wordt voor de toekenning van het salaris als diensttijd in aanmerking genomen. De tijd gedurende welke de ambtenaar buiten genot van bezoldiging verlof geniet, wordt voor de toekenning van het salaris niet in aanmerking genomen als diensttijd indien dit verlof een tijdvak van een jaar te boven gaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel