In deze verordening wordt verstaan onder:
1. De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);
2. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
3. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
4. Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;
5. Belanghebbende: personen van 27 jaar of ouder en beneden de leeftijd van 65 jaar, die een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, een uitkering op grond van de IOAW of een uitkering op grond van de IOAZ ontvangen;
6. Bijstand: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;
7. Bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;
8. Grondslag: de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAZ;
9. Maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, lid 2 van de wet, het verlagen van de grondslag bedoeld in artikel 20, lid 2, van de IOAW of artikel 20, lid 1, van de IOAZ, dan wel het weigeren van de grondslag, bedoeld in artikel 20. lid 1, van de IOAW of artikel 20, lid en lid 3, van de IOAZ;
10. UWV werkbedrijf: Het onderdeel van het UWV waar arbeidsbemiddeling en re-integratie bij elkaar komen;
11. Het college: het college van burgemeester en wethouders van Blaricum;
12. Algemeen geaccepteerde arbeid: werk dat algemeen maatschappelijk aanvaard is.