De burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
a. de exploitant of de beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:40C gestelde eisen;
b. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen dan wel het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:40B, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;
c. in de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in en om de speelgelegenheid;
d. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze wordt benadeeld of verstoord door de exploitatie van de speelgelegenheid;
e. zich in of vanuit de speelgelegenheid anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelgelegenheid gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid;
f. de exploitant de in artikel 2:40 E neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt;
g. de exploitant het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 10
Artikel 2.40G
Intrekkingsgronden vergunning *
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Blaricum 2010