Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 16

Artikel 16. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Verordening Maatregelen Wet Werk en Bijstand

Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand; b. bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand; c. bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand; d. bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. De, na constatering van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, te verlenen bijstand, wordt verleend in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel 48 van de Wwb.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel