Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010

1. De toeslag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 2. De toeslag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de belanghebbende die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de toeslag 20 procent indien: a. de belanghebbende een zorgbehoefte heeft en wordt verzorgd door een ander die zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft, b. de belanghebbende een ander die een zorgbehoefte heeft verzorgt en zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft, of c. uitsluitend één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning als belanghebbende, dan wel één of meer kinderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning als belanghebbende en deze kinderen onderwijs of een beroepsopleiding volgen als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. 4. De toeslag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de structureel adresloze alleenstaande of alleenstaande ouder die tenminste 17 nachten per maand in een erkende instelling voor dak- en thuislozen verblijft;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel