Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 5

Artikel 2.11

Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2009

1. Het is verbodenzonder voorafgaande melding aan het college, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De melding geschiedt op een door het college vastgesteld formulier en dient uiterlijk 5 werkdagen voordat het gebruik een aanvang neemt, te worden gedaan. 3. De melding wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op het formulier is vermeld. 4. Het college kan het gebruik verbieden, indien: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 5. Het collegekan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen. 6. Het collegekan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 7. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover: - elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d. voertuigen; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; f. evenementen als bedoeld in afdeling 7 van dit hoofdstuk; g. terrassen als bedoeld in artikel 2.39, vijfde lid; h. banieren die worden gebruikt voor aankondiging van evenementen en stadspromotie, mits ze worden geplaatst op de door het college daartoe aangewezen plaatsen en voldoen aan de door het college ter zake te stellen beleidsregels; i. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.17; j. betonnen bergingen met een maximale afmeting van 2.00 x 1,40 x 1,60 m (lxhxb) voor de plaatsing van (rol)containers bestemd voor de openbare inzameling van huishoudelijk afval; k. voorwerpen als bedoeld in artikel 5.30. 8. Voor de toepassing van het zevende lid, onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 9. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland. 10. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 11. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b geldt niet voor bouwwerken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel