1. Onder horecabedrijf wordt verstaan:
a. een inrichting waaronder in ieder geval wordt verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, afhaalzaak, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt;
b. een bedrijf dat in hoofdzaak bestemd is voor de uitoefening van detailhandel en waarin als ondergeschikte nevenactiviteit consumpties (o.a. alcoholvrije drank) worden verstrekt.
2. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
3. Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waartegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
4. Onder inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de besloten ruimte(n) waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen.
5. Onder exploitant wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.34.
6. Onder leidinggevende wordt in deze paragraaf verstaan: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting.
7. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:
a. de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed‑ en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 8
Artikel 2.33
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2009