1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2.1, 2.2, 2.28, 2.47, 255, 2.60, 2.62, 2.64, 2.66, 2.67, 2.87, 2.88, 2.89 of 2.90 een verbod opleggen om zich gedurende maximaal 16 dagen als genoemd in het verbod, te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).
2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
3. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 15
Artikel 2.91
Verblijfsontzegging in verband met overtreding APV
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2009