Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel intrekken, indien: 1. blijkt, dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;
2. de ingevolge artikel 3.4, lid 2, onder a in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd;
3. de exploitant of leidinggevende de bepalingen in afdeling 2, de nadere regels als bedoeld in artikel 3.3, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;
4. in de seksinrichting een minderjarige prostitué(e) wordt aangetroffen;
5. in de seksinrichting een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen;
6. een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostitué(e) of een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel;
7. er door de exploitant of leidinggevende onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid;
8. aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat;
9. de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
10. zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het escortbedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf;
11. op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;
12. de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen;
13. blijkt dat er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd.
Hoofdstuk 3 › Afdeling 3
Artikel 3.14
Intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2009