Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Afdeling 9

Artikel 5.30

Reclameborden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2009

1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen van voorwerpen op of boven de weg/het weggedeelte en het bevestigen ervan aan of rond objecten, met het doel om handelsreclame te maken. 2. Voor de beoordeling of de weigeringsgrond, bedoeld in het vierde lid, onder d, worden door de aanvrager van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken overgelegd: a. een bewijs van inschrijving in het handelsregister of beroepsregister van het land van vestiging; b. jaarrekening en jaarverslagen van de twee voorafgaande jaren, waaruit de financiële positie van de aanvrager blijkt; c. een recente bankverklaring; d. een referentielijst van onder andere gemeenten waar de aanvrager reeds voorwerpen als bedoeld in het eerste lid heeft geplaatst, onder vermelding van contactpersonen en het aantal geplaatste reclameobjecten en onder overlegging van een afbeelding waaruit de esthetische kwaliteit van het reclamevoorwerp blijkt. 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd: a. indien al een vergunning ingevolge het eerste lid is verstrekt; c. indien een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid, op een eerder tijdstip is ontvangen en deze aanvraag en de aanvrager aan alle gestelde voorwaarden voldoen. 4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a. Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c.indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken; e. indien naar oordeel van het college de aanvrager onvoldoende heeft aangetoond dat wordt voldaan aan de volgende criteria: - een financiële positie die in voldoende mate zicht geeft op de continuïteit in de bedrijfsvoering; - relevante vakbekwaamheid en ervaring om tot een kwalitatief voldoende exploitatie van de vergunning te komen; - wijze van exploiteren van het voorwerp of de voorwerpen voor de plaatsing waarvan vergunning is gevraagd en de kwaliteit ervan; - deugdelijke en correcte bedrijfsvoering. 5. Het college kan beleidsregels vaststellen omtrent de weigeringsgronden, bedoeld in het derde en vierde lid. Voor zover beleidsregels worden vastgesteld betreffen deze in ieder geval het maximaal aantal locaties, de plaats van deze locaties en de wijze van plaatsing of bevestiging van de voorwerpen. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4 kan het college aan de vergunning voorschriften verbinden in ieder geval met betrekking tot de in de beleidsregels genoemde onderwerpen. 7. De vergunning bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel