1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 28, onder a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien objectief aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 28, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien objectief aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
Hoofdstuk 6
Artikel 29
Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik
Onderdeel van Verordening Maatschappelijke ondersteuning Nieuwe Waterweg Noord 2008