1. Voor een leerling als bedoeld in artikel 6 voor wie in het
schooljaar 2001 – 2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd
verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een bruikleenauto
of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend met een
leefvervoervoorziening, blijft indien de ouders dat wensen, zo nodig in
afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een gelijkwaardige
voorziening van en naar de school die de leerling in schooljaar 2001 –
2002 bezocht.
2. Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001 – 2002 een
vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet
onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een
opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en naar
school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001 – 2002 bezocht,
indien de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer
bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.
3. De bepalingen in titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in
het schooljaar 2002 – 2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand
aan het schooljaar 2002 – 2003 en daarop betrekking hebbende geschillen,
blijven de regelingen die voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze
verordening luiden van toepassing.
Titeldeel 7
Artikel 29
Overgangsregeling
Onderdeel van Verordening Leerlingenvervoer gemeente Vlaardingen