1. Het is verboden om zonder vergunning in een gemeentelijk archeologisch monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, de bodem dieper dan 30 cm onder het oppervlak te verstoren.
2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;
a. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
i. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
ii. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
iii. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
b. de activiteit plaatsvindt in het kader van de archeologische monumentenzorg.
3. Het rapport zoals bedoeld in lid 2 onder a dient bij de aanvraag van de vergunning te worden ingediend.
4. Aan de vergunning kunnen door het college voorschriften worden verbonden in het kader van de archeologische monumentenzorg, waaronder:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen om het monument in de bodem te kunnen behouden;
b. de verplichting tot het doen van een opgraving, of
c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt archeologisch te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg zoals bedoeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.
5. Alvorens over het verlenen van de vergunning te beslissen wint het college advies in bij de stadsarcheoloog.