1. Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is.
2. In bijzondere gevallen kan de voorzitter, in overleg met de aanwezige leden, besluiten de in artikel 11 bedoelde hoorzitting te houden door minder dan het aantal in lid 1 genoemde leden. In dat geval wordt het besluit omtrent het uit te brengen advies aangehouden en wordt in de eerstvolgende vergadering waarin het in lid 1 genoemde aantal leden aanwezig is, nadat zij kennis hebben genomen van het betreffende verslag, een besluit omtrent het uit te brengen advies genomen.