Lid 1
De doeleinden als bedoeld in artikel 3:8:1:6 waarvoor het spaarbedrag mag worden besteed zijn:
verwerving door de deelnemer of diens partner van een eigen woning als bedoeld in artikel 3:111, lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (zie lid 2 van dit artikel), mits de besteding geschiedt binnen zes maanden nadat de eigen woning is verworven
door de deelnemer te betalen premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van een levensverzekering waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel 3:124, letter b, en artikel 3:125, eerste lid, a, c en d van de Wet inkomstenbelasting 2001 is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:126 van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de deelnemer of dat van zijn partner en de termijnen voor de lijfrente, behoudens ingeval van overlijden, niet eerder kunnen ingaan dan in het vijfde jaar nadat de premies zijn voldaan;
premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaaluitkering bij in leven zijn is verzekerd, en de voldane premies voor bij dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of ongeval, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van vermogen van de deelnemer of dat van zijn partner als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001;
door de deelnemer vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling. Bedragen die worden ingehouden op het loon als vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met bestedingen ten laste van de spaarloonregeling;
ten behoeve van activiteiten als beginnend ondernemer, als bedoeld in artikel 3:8:1:10;
ter compensatie van het loon dat niet is genoten door de deelnemer als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof, onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3:8:1:11;
ten behoeve van studiekosten, als bedoeld in artikel 3:8:1:12.
Vanaf 1 januari 2008 mag het spaarloon ook opgenomen worden om te storten op spaarrekeningen of beleggingsrechten bij banken of beleggingsinstellingen. Het gaat om de volgende rekeningen of rechten:
de spaarrekening eigen woning
het beleggingsrecht eigen woning
de lijfrentespaarrekening
het lijfrentebeleggingsrecht
De spaarrekeningen en beleggingsrechten moeten voldoen aan de voorwaarden zoals deze gelden voor de inkomstenbelasting.
Lid 2
Met een eigen woning als bedoeld in artikel 3:111, lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt bedoeld: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouding anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat;
een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.
Lid 3
Rechtstreekse betaling door de werkgever aan de deelnemer van het spaarbedrag, mits aangewend door de deelnemer voor een bovengenoemd bestedingsdoel, met uitzondering van de in lid 1 van dit artikel, onder f en g genoemde bestedingen, worden gelijkgesteld met het beschikken door de deelnemer over het tegoed van de spaarloonregeling als bedoeld in de aanhef van lid 1 van dit artikel.
Lid 4
Met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel, onder b, c en d, alsmede f en g genoemde bestedingen zijn per kalenderjaar maximaal twee opnamen ten laste van de spaarloonrekening toegestaan. Indien de bank met de in artikel 3:8:1:9, lid 1, letter a bedoelde verzekeringsmaatschappij anders luidende incasso afspraken heeft gemaakt, is met betrekking tot de bestedingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel , letter b, c en d, het bepaalde in de vorige volzin niet van toepassing