Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2

Artikel 3.3

Het recht op een woonvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning

1. Een ondersteuningsvrager kan voor een woonvoorziening als bij artikel 3.1, eerste lid, onder a ge­noemd in aanmerking worden gebracht ter compensatie van de beperkingen die de ondersteuningsvrager ondervindt bij het normale gebruik van de woning, het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen en het normale gebruik en/of de bereikbaarheid van de woning belemmeren. 2. Een ondersteuningsvrager kan voor een woonvoorziening als bij artikel 3.1, eerste lid, onder b. en c. genoemd, in aanmerking worden gebracht als de in het artikel 3.1 eerste lid onder a genoemde voor­ziening niet te realiseren is of als de kosten van de woonvoorziening als genoemd in artikel 3.1 eer­ste lid sub b en c. lager zijn dan het bedrag als genoemd in het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Son en Breugel 2007. 3. Een ondersteuningsvrager wordt een woonvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 geweigerd als: de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of ge­brek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de ondersteuningsvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat mo­ment beschikbare meest geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college. 4. Om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening kan een eigen bijdrage verschuldigd zijn, zoals genoemd in het Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Son en Breugel 2007.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel