Naar hoofdinhoud

Afdeling I › Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

Het recht op een vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Son en Breugel 2002

1. Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer, of het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken. 2. Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder b en c in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer als bedoeld in het artikel 3.1 aanhef en onder a onmogelijk maken, of een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder a niet aanwezig is. 3. Voor de bij artikel 3.1 aanhef en onder b sub 2 tot en met 4 en artikel 3.1 aanhef en onder c sub 1 en 3 tot en met 6 genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder a verstrekt kunnen worden. 4. Bij het vaststellen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder c sub 3 tot en met 6 kan rekening worden gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de gehandicapte en de mate waarin de voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder a en b in die vervoersbehoefte kunnen voorzien. 5. Voor zover de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik kan worden gemaakt van dezelfde voorziening, bepalen burgemeester en wethouders, rekening houdend met de samenvallende behoeften de toe te kennen vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 met in achtneming van hetgeen is gesteld in het Besluit nadere regels verordening voorzieningen gehandicapten. 6. Indien het inkomen hoger is dan 1,5 maal het norminkomen wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als bedoeld in: artikel 3.1 aanhef en onder a; artikel 3.1 aanhef en onder b sub 1. 7. Indien het inkomen hoger is dan 1,5 maal het norminkomen worden de financiële tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder c sub 2 tot en met 5 verstrekt onder aftrek van het bedrag waarmee de grens van 1,5 maal het norminkomen wordt overschreden. 8. Indien het inkomen meer bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen, terwijl uitsluitend gebruik gemaakt kan worden van een rolstoeltaxi, wordt, in afwijking van het zevende lid, een financiële tegemoetkoming verstrekt die gelijk is aan het verschil tussen een taxikostenvergoeding en de vergoeding voor het gebruik van een rolstoeltaxi. 9. Indien de gehandicapte een vervoersvoorziening ontvangt welke wordt genoemd in het zesde lid en het inkomen overschrijdt nadien de grens van 1,5 maal het norminkomen, dan wordt de vervoersvoorziening ingetrokken. 10. Indien de gehandicapte een vervoersvoorziening ontvangt welke wordt genoemd in het zevende lid en het inkomen overschrijdt nadien de grens van 1,5 maal het norminkomen, dan zijn het zevende en het achtste lid van overeenkomstige toepassing. 11. Burgemeester en wethouders kunnen een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 aanhef en onder b weigeren indien de vervoersbehoefte van de gehandicapte op jaarbasis minder dan 250 kilometer bedraagt. 12. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de gehandicapte bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de gehandicapte om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel