Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van reinigingsrechten 2011

1.. De rechten bedoeld artikel 4 zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt zijn de rechten verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. 4.. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist. 5.. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 6.. Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag 7.. Voorzover er een recht bestaat tot restitutie, overeenkomstig het gestelde onder punt 3 van dit artikel, zal de restitutie van het bepaalde bedrag in de maand januari volgend op het betreffende belastingjaar waarover de belasting is geheven, plaats vinden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel