Voor toepassing van artikel 3,23 Wro, jo artikel 4.1.1, onder a Bro komen in aanmerking- een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning in de bebouwde kom, met inachtneming van de volgende bepalingen:
a. in zijtuinen, grenzend aan de openbare weg of openbaar groen (de zogenaamde hoeksituaties) is enkel bebouwing toegestaan in de vorm van een erker, met dien verstande dat;
de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 meter, gemeten vanuit de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw;
de hoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 meter;
de afstand van de erker tot de openbare weg en/of het openbaar groen minimaal 1,5 m moet bedragen.
b. ten aanzien van het bouwen vóór de voorgevelrooilijn mag enkel een erker en mogen geen bijgebouwen worden opgericht, met dien verstande dat:
de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 meter, gemeten vanuit de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw;
de hoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 meter.
de afstand van de erker tot de openbare weg minimaal 1,5 m moet bedragen
c. ten aanzien van het bouwen achter de voorgevelrooilijn (zijgevel of achtergevel) mogen aanof uitbouwen worden opgericht met dien verstande dat:
de totale vloeroppervlakte van aan- of uitbouwen, de onder d genoemde bijgebouwen, de in het bestemmingsplan toegestane bijgebouwen inbegrepen, en overkappingen mag per bouwperceel in totaal maximaal 120 m2 bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage per bouwperceel niet meer mag bedragen dan:1e. bij vrijstaande woningen: 30%; 2e. bij twee-aaneen woningen: 40%; 3e. bij aaneengebouwde woningen: 50%; 4e. bij gestapelde woningen: bij de ruimtelijk-stedenbouwkundige beoordeling nader te bepalen, afhankelijk van de specifieke situatie;
de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter;
de breedte niet meer bedraagt dan 60% van de voorgevel van het hoofdgebouw;
de voorgevel tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn ligt.
d. ten aanzien van het bouwen achter de voorgevelrooilijn (zijgevel of achtergevel) mogen bijgebouwen worden opgericht met dien verstande dat:
de voorgevel van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn ligt; deze maat geldt niet in hoeksituaties;
een aangebouwd bijgebouw aan de zijgevel van het hoofdgebouw een maximale breedte van 60% van de oorspronkelijke gevelbreedte van de voorgevel van het hoofdgebouw heeft, met een absoluut maximum van 5 meter;
de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
de hoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter;
de totale vloeroppervlakte van (de onder c genoemde) aan- of uitbouwen én bijgebouwen (de in het bestemmingsplan toegestane bijgebouwen inbegrepen) niet meer mag bedragen dan 120 m² per woongebouw én bovendien:
het bebouwingspercentage per bouwperceel van het hoofdgebouw, afhankelijk van de bouwwijze, niet meer mag bedragen dan: 1e. bij vrijstaande woningen: 30%; 2e. bij twee-aaneen woningen: 40%; 3e. bij aaneengebouwde woningen: 50%;
e. onverminderd het in het onder a t/m d gestelde, geldt bij hoofdgebouwen met een woonbestemming in de bebouwde kom voorts dat:
de totale bebouwde oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, de in het bestemmingsplan toegestane bebouwing inbegrepen, per hoofdgebouw maximaal 120 m² mag bedragen;
het bebouwingspercentage per bouwperceel van het hoofdgebouw, afhankelijk van de bouwwijze, niet meer mag bedragen dan:1e. bij vrijstaande woningen: 30%; 2e. bij twee-aaneen woningen: 40%; 3e. bij aaneengebouwde woningen: 50%;
- een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft, met dien verstande dat:
de totale inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan 750 m3;
de totale oppervlakte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m².
Hoofdstuk 3 › Afdeling 3.2
Artikel 2
UITBREIDING VAN OF BIJGEBOUW BIJ EEN WONING
Onderdeel van Beleidsregels ontheffing art. 3.23 WRO