Naar hoofdinhoud
3.1. De maatstaf van heffing is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 1 bedoelde kalenderjaar valt, met uitzondering van de waarde van het onderdeel dat tot woning dient. 3.2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de maatstaf van heffing van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19, eerste en tweede lid, onderdelen b en c, 20, tweede lid en 22, derde lid van de Wet waardering onroerende zaken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel