Een ontheffing van een verbodsbepaling als bedoeld in artikel 2 lid 4, 3 lid 3, 5 lid 3 en 6 lid 3 van de Ligplaatsenverordening Friesland wordt, voorzover het respectievelijk in artikel 2 lid 1, 3 lid 1, 5 lid 1, 5 lid 2 of 6 lid 2 van deze verordening bedoelde verbod van toepassing is, geacht een ontheffing te zijn van het verbod vervat in artikel 2 Fd 4, 3 lid 3, 5 lid 3 of 6 lid 3 van deze verordening. De ontheffing blijft met de daaraan verbonden voorschriften van kracht tot op het moment dat in de ontheffing zelf is bepaald.
De aanwijzing van oevers en/of wateren die heeft plaatsgevonden overeenkomstig de procedure van de artikelen 9 en 10 van de Ligplaatsenverordening Friesland wordt geacht een aanwijzing te zijn krachtens de artikelen 13 en 14 van deze verordening.