Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › § 5

Artikel 11

Aflossingshoogte vorderingen

Onderdeel van Beleidsregels terugvordering, verhaal en invordering

Als de vordering niet in een keer kan worden voldaan: bedraagt de hoogte van de aflossing 6% van de toepasselijke bijstandsnorm als het gaat om een niet verwijtbare vordering; bedraagt de hoogte van de aflossing 10% van de toepasselijke bijstandsnorm als het gaat om een verwijtbare vordering; wordt de aflossing als genoemd in lid 1 en 2, als het inkomen van belanghebbende hoger is dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met 50% van het inkomen boven deze 115%; voor de vaststelling van het inkomen is paragraaf 3.4 van de wet van toepassing; wordt de aflossing op verzoek van belanghebbende in afwijking van het eerste lid lager vastgesteld als met deze lagere aflossing de vordering binnen 36 maanden kan worden afgelost; bedraagt de hoogte van de aflossing in afwijking van het 1e tot en met 4e lid bij dwanginvordering het verschil tussen het actuele inkomen en de beslagvrije voet.

Rechtspraak bij dit artikel