Als de vordering niet in een keer kan worden voldaan:
bedraagt de hoogte van de aflossing 6% van de toepasselijke bijstandsnorm als het gaat om een niet verwijtbare vordering;
bedraagt de hoogte van de aflossing 10% van de toepasselijke bijstandsnorm als het gaat om een verwijtbare vordering;
wordt de aflossing als genoemd in lid 1 en 2, als het inkomen van belanghebbende hoger is dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met 50% van het inkomen boven deze 115%; voor de vaststelling van het inkomen is paragraaf 3.4 van de wet van toepassing;
wordt de aflossing op verzoek van belanghebbende in afwijking van het eerste lid lager vastgesteld als met deze lagere aflossing de vordering binnen 36 maanden kan worden afgelost;
bedraagt de hoogte van de aflossing in afwijking van het 1e tot en met 4e lid bij dwanginvordering het verschil tussen het actuele inkomen en de beslagvrije voet.
Hoofdstuk › § 5
Artikel 11
Aflossingshoogte vorderingen
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering, verhaal en invordering