Deze bijlage geeft een verdieping van de juridische context.
In een uitspraak heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Raad van State) op 7 november 2001 (Brunssum) bepaald dat degene die opdracht geeft tot ontruiming, in de meeste gevallen de verhuurder, er ook voor moet zorgen dat de inboedel niet op straat achterblijft. Dreigt de inboedel niet te worden opgeruimd, dan kan de gemeente op grond van overtreding van art 2.1.5.1 van de APV (15) op voorhand overgaan tot bestuursdwang (16) en de kosten hiervan verhalen op de verhuurder.
Tot de uitspraak in november 2001 was er geen duidelijke jurisprudentie of de verhuurder ook als overtreder van artikel 2.1.5.1 van de APV kon worden gezien en of de kosten van bestuursdwang op hem verhaald konden worden. Duidelijk is nu dat de gemeente de kosten van bestuursdwang mag verhalen op de verhuurder. Bovengenoemde uitspraak creëert derhalve de mogelijkheid om kosten te verhalen, waarvoor de gemeente anders zou opdraaien.
In een uitspraak van de Raad van State op 17 juli 2002 (Naarden) is het bovenstaande nog eens bevestigd (spoedeisende bestuursdwang toegestaan, woningcorporatie is overtreder, gemeente mag kosten bestuursdwang verhalen op woningcorporatie).
In principe kan bestuursdwang alleen worden uitgeoefend wanneer er daadwerkelijk sprake is van een (begin van) overtreding. Het is vaste rechtspraak dat wanneer sprake is van “een klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift” dit voldoende grond is voor een preventieve bestuursdwangbeschikking. De brief van de deurwaarder geldt als teken van “klaarblijkelijk gevaar” c.q. ernstig vermoeden van een huisontruiming.
Ook wanneer een huurder wordt uitgezet in verband met overlast kan bestuursdwang worden toegepast. Er zal sowieso preventieve bestuursdwang moeten worden toegepast c.q. preventief moeten worden aangezegd - teneinde de spullen te kunnen verwijderen. Juridisch maakt het geen verschil welke reden ten grondslag ligt aan het weer op orde brengen van de feitelijke situatie met het recht. De overtreding blijft immers hetzelfde als bij de andere situatie: het zonder vergunning plaatsen van de inboedel op straat. Ook al is er sprake van overlast, de overtreding blijft die van de APV en de verhuurder kan dat (o.a.) voorkomen door een vergunning aan te vragen.
Nu de verhuurder, als opdrachtgever van de huisontruiming, als overtreder dient te worden aangemerkt, is die verhuurder, gelet op art. 5:25 Awb, de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd. Uitgangspunt van art. 5:25 lid 1 Awb is dat de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing bestuursdwang verschuldigd is, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. De uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal gaan samen en er is – ook hier - geen sprake van een uitzonderingssituatie. Het algemeen belang is niet in die mate bij de huisontruiming betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de verhuurder zouden behoren te komen.
---------------------------------------------------------------------------------------
(15) Op grond van artikel 2.1.5.1 van de APV is het verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan, tenzij wordt beschikt over een vergunning.
(16) Bestuursdwang is het op kosten van de overtreder of de nalatige door of vanwege een bestuursorgaan wegnemen, ontruimen, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de regels wordt gedaan of nagelaten. Bevoegdheid tot bestuursdwang volgt uit artikel 125 van de gemeentewet. De procedureregels met betrekking tot het toepassen van bestuursdwang staan beschreven in afdeling 5.3 Awb.